Skip to Content
Doortastende maatregelen nodig om waterkwaliteit in landbouwgebied te verbeteren

Doortastende maatregelen nodig om waterkwaliteit in landbouwgebied te verbeteren

Het Mestrapport 2021 zet de zaken op scherp en toont aan dat we niet op het juiste pad zitten om de waterkwaliteitsdoelstellingen te halen. Uit de meest recente cijfers van de Vlaamse Milieumaatschappij (VMM) blijkt dat de waterkwaliteit in landbouwgebied slecht blijft. Een betere naleving van de mestwetgeving, een betere toepassing van de juiste bemestingstechnieken die nog meer inspelen op het veranderende klimaat en ook brongerichte maatregelen zijn nodig om de waterkwaliteit te verbeteren en de Europese doelstellingen te realiseren.


Vlaanderen is één van de slechte leerlingen van de klas

Uit de recentste meetgegevens van de VMM blijkt dat de kwaliteit van het oppervlaktewater in landbouwgebied slecht blijft en dat we verder verwijderd zijn van de doelstelling dan bij de start van het zesde mestactieplan (MAP6). In het winterjaar 2020-2021 werd op 31% van de meetplaatsen minstens één keer de drempelwaarde van 50 mg nitraat per liter overschreden. Voor grondwater zijn er regionale verschillen en stagneren de cijfers op Vlaams niveau. De nitraatgehalten in de bovenste filter van het grondwatermeetnet schommelen de laatste drie meetjaren rond 35 mg nitraat per liter.

Ook het recente nitraatrapport van de Europese Commissie stelt dat Vlaanderen behoort tot de regio’s met de grootste uitdagingen om de nitraatverontreiniging vanuit de landbouw aan te pakken. Vlaanderen is samen met Duitsland, Luxemburg, Nederland, Spanje en Tsjechië, het verst verwijderd van de doelstellingen van de Nitraatrichtlijn. Deze lidstaten moeten dringend extra maatregelen nemen om de doelstellingen te realiseren. Europa ziet de Nitraatrichtlijn als een belangrijk instrument om het doel van de Kaderrichtlijn Water te realiseren, namelijk een goede toestand van alle waterlichamen tegen uiterlijk 2027. De Nitraatrichtlijn is ook cruciaal om de beoogde reductie van nutriëntenverliezen met minstens 50% tegen 2030 uit de Europese Green Deal mee te helpen realiseren.

Betere naleving van de mestwetgeving nodig

Uit de evolutie van de inbreukpercentages bij bepaalde controleacties blijkt duidelijk dat terreincontroles effect hebben. Zo is het inbreukpercentage (aantal controles met overtredingen tegenover het totaal aantal uitgevoerde controles) bij de controles op het opbrengen van mest gedaald van 11% in 2015 tot 5% in 2020. Ook bij de controles op de teeltvrije zone van minstens 1 m langs waterlopen, is het inbreukpercentage gedaald van 50% in 2018 tot 8% in 2021. De Mestbank stelt vast dat gedragsverandering soms moeilijk te realiseren is. Zo worden er jaarlijks bij zo’n 40% van de terreincontroles op de mestopslag inbreuken vastgesteld en brengen nog te veel landbouwers hun mestopslag pas in orde na een controle. De hoge inbreukpercentages kunnen niet veralgemeend worden, aangezien de controles gericht uitgevoerd worden op basis van een risicoanalyse, maar ze geven wel aan dat opvolging door de Mestbank nodig blijft en dat de nalevingsgraad moet verbeteren.

Op bedrijven met veel dieren en een mestoverschot, blijft een tekort aan landbouwgrond om mest op kwijt te kunnen het voornaamste probleem. De dienst Bedrijfsdoorlichting stelt vast dat de hoge kostprijs van externe mestafzet zoals mestverwerking de belangrijkste drijfveer is voor fraude. De betrokken bedrijven gebruiken dan in realiteit meer mest op hun gronden dan toegelaten en aangegeven is, met alle gevolgen vandien voor het leefmilieu.

De Mestbank zet voortdurend in op de verdere verbetering van haar handhavingsinstrumenten. Zo brengt het digitaal kunstmestregister vanaf 2021 het werkelijk kunstmestgebruik beter in kaart en kan de Mestbank beter controleren op het gebruik ervan. De verplichte installatie van bijkomende debietmeters op mestverwerkingsinstallaties tegen 1 januari 2022 versterkt de opvolging van de massastromen. Ook onderzoekt de Mestbank het potentieel van innovatieve technieken.

Betere toepassing juiste bemestingspraktijken die inspelen op klimaatverandering

De nitraatresidumetingen die de Mestbank elk najaar laat uitvoeren op heel wat landbouwpercelen, wijzen erop dat de bemestingspraktijken bij een aanzienlijk deel van de bedrijven nog niet op punt staan. Bij 35% van de landbouwers met een perceelsevaluatie en 49% van de landbouwers met een bedrijfsevaluatie in 2020 was het nitraatresidu hoger dan de nitraatresidudrempelwaarde. Door verkeerde bemestingspraktijken blijven er teveel nitraten achter in de bodem in het najaar met hogere risico’s op uitspoeling naar grond- en oppervlaktewater. De laatste 4 jaren blijft het gemeten nitraatresidu in de bodem steken op gemiddeld zo’n 80 kg nitraatstikstof per hectare.

Landbouwgrond waarop een beheerovereenkomst waterkwaliteit wordt toegepast, scoort beter, met gemiddeld zo’n 50 kg nitraatstikstof per hectare. Op die landbouwgrond worden gewassen met een laag risicoprofiel geteeld en wordt voorzichtiger omgegaan met de bemesting. Er is nog een lange weg af te leggen om de nitraatresidu’s op alle landbouwpercelen op een lager niveau te krijgen om de goede waterkwaliteit te bereiken.

De Mestbank stelt ook vast dat dat de bemestingspraktijken bij de doorgelichte akkerbouwbedrijven en vollegrondstuinbouwbedrijven nog niet op punt staan en nog vaak berusten op oude gewoontes. In het bijzonder op vlak van het nuttig gebruiken van bemestingsadviezen op vollegrondstuinbouwbedrijven is nog werk aan de winkel.

De recente evoluties van de waterkwaliteit en het nitraatresidu weerspiegelen de droogteperiodes tijdens het groeiseizoen in de jaren 2017 t.e.m. 2020. Die hebben geleid tot minder opname van stikstof door de gewassen en bijgevolg tot een hoger nitraatresidu en een hoger risico op uitspoeling van nitraten naar het water.

Klimaatverandering vormt een uitdaging voor de landbouwers en een factor waarop ingespeeld moet worden om nutriëntenverliezen te beperken. Uit recent onderzoek blijkt dat met het toepassen van de juiste bemestingspraktijken en -technieken, de landbouwers nu al kunnen inspelen op het wijzigende klimaat en tegelijk hun meststoffenverliezen kunnen doen dalen. Ook het tijdig inzaaien van een vanggewas na de oogst van de hoofdteelt is een goede praktijk om het resterende nitraat in de bodem op te nemen.

Het belang van bemesting volgens de 4 J’s kan niet genoeg onderstreept worden: met de juiste dosis, de juiste mestsoort, op het juiste tijdstip en met de juiste bemestingstechniek. Gefractioneerde bemesting (bemesting in verschillende giften) o.b.v. bemestingsadviezen, biedt de mogelijkheid om in te spelen op de gewasontwikkeling en op de weersomstandigheden. Met een subsidie aan de Begeleidingsdienst voor Betere Bodem- en Waterkwaliteit (B3W) wil de VLM  deze duurzame bemestingspraktijken dichter bij de landbouwers brengen.


Brongerichte maatregelen

Ondanks de geleverde inspanningen van de landbouwers en andere actoren om zich in orde te stellen met de mestwetgeving, en van de Mestbank om de naleving te controleren en te vergroten, stellen we vast dat de waterkwaliteit niet volgt. De huidige mestdruk en teeltpraktijken blijven de leefomgeving negatief beïnvloeden. Zo is de mestproductie in 2020 licht toegenomen en is ook het areaal van intensieve, nitraatgevoelige teelten zoals maïs, aardappelen en groenten gestegen. We stellen vast dat de instrumenten van het mestbeleid onvoldoende ingrijpen op die druk en dat vormt een uitdaging om de waterkwaliteitsdoelen te realiseren.

2022 zal dus het jaar van de waarheid zijn voor de aanpassingen aan het zesde mestactieplan (MAP 6+) en de voorbereiding van MAP 7. Uit de situatie in Nederland, waar de onderhandelingen over het nieuw mestactieplan met de Europese Commissie nog lopen, blijkt immers dat een derogatie (een afwijking op de bemestingsnormen) enkel kan toegestaan worden door de Europese Commissie wanneer die overtuigd is dat met het mestactieprogramma alle waterkwaliteitsdoelen tijdig gehaald worden.

Bekijk hier het Mestrapport 2021

De cijfers over de meetresultaten van de waterkwaliteit die beschreven staan in het Mestrapport zijn afkomstig van de Vlaamse Milieumaatschappij, die de resultaten van het MAP-meetnet 2020-2021 vandaag heeft gepubliceerd.

Leen Van den Bergh Woordvoerder VLM

 

 

Over Vlaamse Landmaatschappij

De NV Vlaamse Landmaatschappij is een Extern Verzelfstandigd Agentschap van de Vlaamse overheid onder de bevoegdheid van de Vlaams minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme.  

Voor de Vlaamse Landmaatschappij zijn een veerkrachtige open ruimte vol leven en een dynamisch platteland het antwoord op uitdagingen als de verstedelijking, de klimaatverandering en de achteruitgang van de biodiversiteit. We versterken de open ruimte en het platteland door te investeren in bodem- en waterkwaliteit, biodiversiteit, ruimte voor voedsel en sociale cohesie. We zorgen voor een kwaliteitsvol landschap en een gezonde omgeving, waar het goed is om te leven en te werken en waar er ruimte is voor ontspanning. 

Samen met lokale en bovenlokale belanghebbenden geven we het openruimtebeleid, het plattelandsbeleid en het mestbeleid vorm en voeren we het uit op het terrein. Zo dragen we samen met onze partners bij aan de realisatie van de Europese en Vlaamse natuur-, plattelands- en milieudoelen.

De VLM werd opgericht in 1988 en stelt ongeveer 600 personeelsleden te werk via 6 kantoren te Brugge, Gent, Brussel, Leuven, Herentals en Hasselt.

De foto's in onze perskamer zijn eigendom van de Vlaamse Landmaatschappij. Het gebruik van die foto's is toegestaan mits bronvermelding (copyright Vlaamse Landmaatschappij).

Vlaamse Landmaatschappij
Leen Van den Bergh
Woordvoerder VLM
Koning Albert II laan 15
1210 BRUSSEL