Een gesprek met Johan Vanhecke, melkveehouder uit Maldegem

Een gesprek met Johan Vanhecke, melkveehouder uit Maldegem

Landbouwers met een laag nitraatresidu aan het woord

Johan Vanhecke baat al meer dan 35 jaar een melkveebedrijf uit in Maldegem, samen met zijn vrouw. Dagelijks melken ze een 60-tal koeien. Met het jongvee erbij, hebben ze ongeveer 100 runderen. Voor de ruwvoederwinning bewerken ze 33 hectare land. Daarvan is 20 hectare grasland, al dan niet tijdelijk, 12 hectare gebruiken ze voor maïs en zo’n 1,25 hectare voor pure klaver (rode klaver).

Story image

Uw bedrijf is een tijdje focusbedrijf geweest. Uw nitraatresidu’s zijn positief geëvolueerd ondanks de droge zomers. Hoe hebt u dat gedaan?

Er zit een stuk geluksfactor bij, omdat niet alle percelen worden gecontroleerd. Maar goed, puur geluk bestaat natuurlijk niet. Met grasland heb ik de ervaring dat je daar toch wel de normen kunt halen als je daar goed gaat bemesten gedurende het jaar. Als ik weet dat een perceel bemonsterd gaat worden, dan zorg ik er ook voor dat het minstens nog twee keer wordt gemaaid. Omdat je dan toch nog heel wat stikstof kunt wegmaaien. Als je een droge zomer hebt en nog een warm najaar, kan de grasgroei nog heel lang doorgaan met de meststoffen die nog in de grond zitten. De voorraad die er nog zit wordt dus toch nog voor een deel benut. Normaal wordt er ergens tweede helft oktober gemaaid, maar de laatste jaren gaan we rond 7-8 november nog eens maaien. Ook dankzij de mooie nazomers die we hadden.

Is er iets dat u de laatste jaren anders hebt gedaan dan 20 jaar geleden?

Mijn bemesting is misschien wat verschoven. Ik begin vrij vroeg in het voorjaar met drijfmest op te brengen op het land, zodra het mogelijk is. Kunstmest gaan we ook gespreid verdelen. Ik gebruik tegenwoordig in het voorjaar langwerkende stikstof, meststof die niet zo heel snel oplost, waardoor we ook minder kans hebben op uitspoeling. Dan gaan we maaien en toch vrij snel weer drijfmest voeren.

Mijn idee is dat de mestkelder vanaf mei leeg moet zijn. Daarmee bedoel ik, eens het mei wordt, moet mest die geproduceerd wordt zo snel mogelijk op het veld.  Om te voorkomen dat eens het juli of begin augustus is, je de laatste dagen van de uitrijperiode mest moet gaan dumpen op de percelen. Voldoende mestopslag is heel belangrijk. Ik zie soms landbouwers die niet toekomen. Maar een jonge landbouwer zou dat niet aan de hand mogen hebben.

Eens het mei is, laten we het regenwater niet meer naar de waterloop lopen, maar laten we het in de mestkelder lopen. Daardoor wordt de mest verdund.

Zodra we maaien -en we maaien toch vrij regelmatig- brengen we de mest die er nog in zit, in verdunde toestand op het veld. Verdunnen doen we om een betere opname te krijgen. We gaan vaker kleinere dosissen toedienen.

Als het echt warm weer is, gaan we geen mest voeren. Wat kunstmest betreft, in principe stop ik met kunstmest in juni. Vanaf dan moet het gaan met de mest die in de grond zit, en vooral de klaver moet het dan overnemen. Klaver neemt immers stikstof uit de lucht en zorgt voor stikstofbinding in de bodem. Mijn ervaring met klaver is dat je die moet uitdagen. Dat je die wat honger moet doen krijgen waardoor die gaat groeien. Je kan klaver perfect weg bemesten. Als je heel zwaar blijft bemesten dan ga je de klaver wegconcurreren. Dan gaat het gras zich er boven zetten en heeft de klaver geen kans om te groeien. Ik hou een klein beetje voorraad achter hand voor half augustus als er teveel roest in het gras komt, dan moet ik nog een beetje bijgeven om te voorkomen dat het gras onder de roest gaat lijden, maar dat heb ik de laatste jaren niet meer moeten doen. Dat moet je toch in het achterhoofd houden, dat je die 20 eenheden stikstof eventueel nog kunt toepassen en anders houd je die gewoon in stock.

Zijn er nog zaken waarmee u rekening houdt bij het bemesten?

Ik moet zeggen, ik ben een man van de cijfers. Grondontleding wordt standaard driejaarlijks gedaan bij mij via bodemanalyses van een labo. Die analyses zeggen dan hoeveel stikstof, fosfor enzo er in de bodem zit. En dan krijg je daar een bemestingsadvies bij, wat ik toch wel vrij goed volg.

Drijfmestontleding doe ik ook altijd, omdat ik het belangrijk vind om te weten wat er in de mest zit. De inhoud kan verschillen van jaar tot jaar. Door de ontleding, kun je een beter bemestingsplan maken. Als je weet wat er in zit, kun je ook een beetje schuiven met percelen. Op het ene wat meer geven en op het andere dan wat minder.  Een perceel dat standaard gemaaid wordt kan sowieso wel wat meer verdragen of wegwerken dan een graasweide.

Mijn stikstofbodemstalen -ik moet er een 2 à 3-tal nemen voor mijn derogatie- die neem ik altijd zo laat mogelijk. Dan weet ik wat er op dat moment in mijn perceel zit en weet ik of er nog bemesting bij moet of net niet. Maar het blijft moeilijk. We zitten met het weer en met de natuur. En je kunt dat niet op voorhand inschatten. Bijvoorbeeld bij maïs weet je dat 95% van de meststoffen erop gaan bij het zaaien of voor het zaaien en daar kan je dan nog weinig aan veranderen. Een keer dat die maïs groot staat, dan moet je daar niet meer beginnen door crossen om nog meststoffen toe te dienen. Dus in maart of april, weet je niet welke zomer er komt. Als je dan een heel slechte zomer hebt zoals we nu gehad hebben, dan is het zeker moeilijk om je stalen goed te hebben in het najaar.

Maar het is u toch gelukt.

Wel op grasland lukt het sowieso, op maïs lukt het meestal. Ik heb bij mijn weten nog nooit boven de tweede norm gezeten, als het fout gaat zit ik meestal net boven de eerste norm. Maar niet spectaculair. Maar ik zeg, je hebt dat niet altijd in de hand. Ik ga niet garanderen dat ik dit jaar weer goed zit. Voor het zelfde geld is het bij mij dit jaar ook verkeerd. Maar we proberen het zo goed mogelijk te doen.

Het is opvallend dat de laatste jaren droge zomers waren en dat u net die laatste jaren betere bemestingsresultaten haalt.

Het zal ook voor een stuk aan de grond liggen. Ik zit hier op pure zandgrond. Dus ja, die laat veel door en het is hier ook vrij snel weer droog, dus dat heeft een heel ander effect dan dat je op zware kleigrond zit.

Maar de grond is hier altijd geweest.

Ja, dat wel. We proberen het humusgehalte hoog te houden in de grond. Altijd hebben we een tussenvrucht. Sowieso zitten we met onze derogatie met grasland ertussen, maar op andere percelen waar we geen derogatie op hebben, gaan we toch altijd proberen om een groenbemester te hebben die de eventuele stikstof die er nog zit kan opvangen.

Ik heb al 25 jaar vanggewassen, al van voordat we een vanggewas moesten hebben voor de derogatie. Toen vooral om het gehalte aan organische stof in de bodem goed te krijgen en ook naar erosie toe, winderosie. Als je je veld bedekt zal je veel minder verlies hebben dan als je je veld blootlegt.

Maakt u gebruik van specifieke technieken om te bemesten?

Mestinjectie, sinds we een injecteur hebben. Vrij spreiden doe ik eigenlijk nooit meer. In principe mag het nog voor akkerland als je het binnen de twee uur inwerkt en op zaterdag onmiddellijk, maar dat doen we eigenlijk al lang niet meer. En kunstmest wordt gestrooid met de kunstmeststrooier. Daar staat een kantbemester op, zodat er geen korrels in de beek of over de afsluiting van het perceel komen. Zeker niet in de waterloop, dat moeten we absoluut vermijden. Ik vind het systeem van de teeltvrije zone, waarbij we 1 meter van de waterloop moeten blijven, een goed systeem. Uiteindelijk, van die laatste meter moet het niet komen. En soms is het vijf of tien meter, een beetje afhankelijk van tegen welke waterloop je zit.

U bent begaan met het milieu?

Wel, met water sowieso. Ik ben hier dijkgraaf van de polder. Ik heb er eigenlijk alle dagen mee te maken, met de aan- en afvoer van water. Nu zijn we met ons bestuur vooral bezig met hoe we water kunnen opstuwen, hoe we meer water kunnen houden op de landerijen. Sowieso, de watergroepen van vroeger heb ik ook altijd gevolgd. Ik zit hier op een kantelgebied. Het meeste van mijn land zit in gebiedstype 0 en in de 1 maar een deel van mijn land zit in gebiedstype 2 en 3 omdat we hier dicht bij de grens zitten van een ander gebied.

Dat is wellicht een groot verschil.

Ja, dat is een groot verschil, vooral naar bemestingsnormen waaraan je moet voldoen en ook de voorwaarden. Bijvoorbeeld met de burenregeling, met die GPS enzo, die nu wel nodig is en vroeger niet nodig was. En vooral de reststikstof die in de grond mag zitten op het einde van het seizoen. Het is zo al moeilijk om onder de grens te blijven, want die is naar beneden getrokken, maar daar is het nog moeilijker om eronder te blijven.

En lukt het u dan in de gebiedstypes 2 en 3?

Wel ik kom nu voor het eerst dit jaar in gebiedstype 2 en 3 terecht, voordien hadden we het niet. Voor ons is het een beetje nieuw.

Hebt u een advies voor de VLM?

Ik vind dat het moment van de nitraatresiducampagne wel wat beter zou kunnen. Ik vind dat stalen op grasland later genomen zouden moeten worden dan 15 november. Ik maai nog tot half november, op dat moment ga je nog veel stikstof afvoeren, dat grasland gaat zich nog herpakken en trekt nog veel stikstof uit de grond. Uit die grond kan gemakkelijk nog 50-60 eenheden gaan. Ik heb gisteren nog eens zitten opzoeken in mijn stalen van vroeger. Als ik een slecht staal neem, dan laat ik altijd een tegenstaal nemen. En ik stel vast dat dat tegenstaal toch altijd een stuk lager ligt. Dat is toch het teken dat er toch nog veel uit de grond gaat. Dus het tijdstip van meten zou eigenlijk nog een stuk later mogen.

We worden nu ook verplicht om een grondbewerking te doen om een groenbemester in te zaaien. Het is geweten dat als je in je grond begint te roeren, je dan de stikstof begint aan te wakkeren. Je zou de kans moeten hebben om een staal te nemen voor je de grond bewerkt.

We geven het door aan de dienst Mestbeleid. Bedankt voor dit gesprek!

 

Dit interview is onderdeel van het artikel droge zomers en toch een laag nitraatresidu.

 

 

 

Over Vlaamse Landmaatschappij

De NV Vlaamse Landmaatschappij is een Extern Verzelfstandigd Agentschap van de Vlaamse overheid onder de bevoegdheid van de Vlaams minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme.  

Voor de VLM zijn een veerkrachtige open ruimte en een dynamisch platteland vol leven het antwoord op uitdagingen als verstedelijking en klimaatverandering. We versterken de open ruimte en het platteland door mee te werken aan het beleid en door te investeren in bodem- en waterkwaliteit, biodiversiteit, sociale cohesie en infrastructuur. We zorgen voor een mooi landschap en een gezonde omgeving, waar het goed is om te leven en te werken en waar er ruimte is voor ontspanning. 

De VLM werd opgericht in 1988 en stelt ongeveer 600 personeelsleden te werk via 6 kantoren te Brugge, Gent, Brussel, Leuven, Herentals en Hasselt.

De foto's in onze perskamer zijn eigendom van de Vlaamse Landmaatschappij. Het gebruik van die foto's is toegestaan mits bronvermelding (copyright Vlaamse Landmaatschappij).

Vlaamse Landmaatschappij
Leen Van den Bergh
Woordvoerder VLM
Koning Albert II laan 15
1210 BRUSSEL