GEVOLGEN VAN DE SLECHTE WEERSOMSTANDIGHEDEN VOOR DIVERSE STEUNMAATREGELEN EN VOOR DE MESTBANKVERPLICHTINGEN

Dinsdag 5 juli 2016 — Door de slechte weersomstandigheden van de laatste weken is voor veel landbouwers het teeltplan danig in de war gestuurd. De landbouwers hebben heel wat vragen over de noodzaak tot aanpassing van de initieel aangegeven teelten in de verzamelaanvraag en over de mogelijke gevolgen voor de diverse steunmaatregelen en mestbankverplichtingen. Het Departement Landbouw en Visserij en de Vlaamse Landmaatschappij verduidelijken wat van de landbouwers in dit verband verwacht wordt.

Hoofdteelt in het kader van de basisbetaling en vergroeningspremie en Mestbank

Als een hoofdteelt schade geleden heeft maar toch blijft staan op het perceel, moet de landbouwer niets veranderen aan zijn verzamelaanvraag .

Ook als de initiële hoofdteelt vernield is of niet opgekomen is en vervangen werd door een andere hoofdteelt is de landbouwer niet verplicht om zijn hoofdteelt aan te passen in de verzamelaanvraag.  In tegenstelling tot wat eerder bericht werd en vanwege de omvang van de wateroverlast en beperking van de administratieve overlast, wordt de landbouwer dus niet meer gevraagd om de hoofdteelt aan te passen. Percelen die niet werden ingezaaid hoeven ook niet aangepast te worden naar braak. Ze komen ook niet in aanmerking als ‘braak voor EAG’ aangezien aan deze vorm van braaklegging voorwaarden verbonden zijn.

De landbouwer is ook niet verplicht om de nieuwe teelt als nateelt op te geven.  Als de landbouwer zijn nieuwe hoofdteelt toch als nateelt opgeeft, zal deze teelt ook enkel en alleen beschouwd worden als nateelt.

De hoofdteelt kan in de verzamelaanvraag gewijzigd worden tot uiterlijk 31 augustus; de nateelt kan gewijzigd worden tot 31 december. Beide administraties raden aan om de wijzigingen zo snel mogelijk door te geven.

Gevolgen in het kader van het Mestdecreet

De landbouwer bekijkt het best voor zijn bedrijf of hij de hoofdteelt beter bijstuurt of niet, in functie van zijn rechten en plichten in het kader van het Mestdecreet.

  • Bemestingsnormen en Bedrijfsafzetruimte

Veelal zal de bemesting gebeurd zijn vóór de extreme weersomstandigheden en in functie van de bedoelde hoofdteelt. Daarom zal het voor het bepalen van de bemestingsrechten en het berekenen van de bedrijfsafzetruimte (incl. derogatiebemesting) aangewezen zijn om de initiële hoofdteelt niet te wijzigen. Rechten én plichten in het kader van het Mestdecreet worden bepaald en opgelegd in functie van de uiteindelijk aangegeven voor-, hoofd- en nateelt.

  • Derogatiebedrijven

Derogatiebedrijven kunnen mogelijk bepaalde derogatievoorwaarden niet naleven. Als deze betrekking hebben op de derogatiepercelen zelf, bvb. de landbouwer heeft zijn 2/3-bemesting niet kunnen uitvoeren vóór 31 mei dan kan de landbouwer zijn derogatie op perceelsniveau nog intrekken tot uiterlijk 31 augustus. Er kunnen echter geen nieuwe derogatiepercelen aangeduid worden. Voorwaarden inzake graslandbeheer zijn bedrijfsvoorwaarden en gelden dus op alle graslandpercelen van het derogatiebedrijf. Als de landbouwer vanwege de weersomstandigheden zijn graslandpercelen niet heeft kunnen scheuren vóór 31 mei, of als hij noodgedwongen een weide nog moet vernieuwen, dan mag dit uiterlijk tot 1 oktober. Vernieuwen van grasland in het najaar gebeurt bij voorkeur in september, zowel vanuit landbouwkundig als milieukundig oogpunt.

  • Verplichte stikstofstalen voor groenten van groep I en groep II, sierteelt, boomkweek en aardbeien

Om het verplicht aantal te nemen stikstofstalen met bemestingsadvies voor de teelten groenten groep I en II, boomkweek, sierteelt en aardbeien te bepalen, wordt gekeken naar de teeltencombinatie van de percelen zoals aangegeven in de verzamelaanvraag. Als deze teelten niet meer konden worden ingezaaid of als deze niet zijn opgekomen dan is het misschien aangewezen om de hoofdteelt toch te wijzigen. Zoniet telt het perceel mee in de evaluatie van de verplichte stikstofstalen.

  • P-analyses

De extreme weeromstandigheden bemoeilijken ook de monstername op de vele percelen waarop de landbouwers de plantbeschikbare fosfor willen laten bepalen door de erkende labo’s. Daarom wordt de uiterlijke indiendatum verlengd tot 31 december. Alle analyses die ingediend worden uiterlijk 31 december 2016 zullen ingang vinden vanaf 1 januari 2017. De Mestbank dringt er echter op aan dat de landbouwers hun beschikbare analyses zo snel mogelijk indienen en niet wachten tot 31 december.

  • Nitraatresiducampagne 2016 en drempelwaarden

De Mestbank selecteert de percelen voor een nitraatresidubepaling en brengt de landbouwers hiervan op de hoogte rond 15 september. De landbouwers krijgen vervolgens 2 weken de tijd om percelen met teeltmislukking of waterschade, samen met de bewijsstukken, te melden zodat de Mestbank een of meerdere vervangpercelen kan aanduiden. Vooral voor de bedrijfsevaluatie is het immers essentieel dat alle nitraatresidutypes vertegenwoordigd zijn in de selectie. Nadien kan een te hoog nitraatresidu niet meer geannuleerd worden vanwege teeltmislukking of waterschade, ook al kan de landbouwer bewijsstukken voorleggen. De landbouwer heeft er dus alle belang bij om de percelen met teeltmislukking kenbaar te maken, samen met de nodige bewijsstukken.
De nitraatresidudrempelwaarden worden bepaald overeenkomstig de hoofdteelt of de nateelt voor de specifieke teelten (groenten groep I, II en III, fruit, sierteelt, boomkweek, aardbeien, spruitkolen en graszoden) zoals uiteindelijk aangegeven in de verzamelaanvraag.

Wat bij controle ter plaatse in het kader van de steunmaatregelen of het Mestdecreet?

In het kader van de verzamelaanvraag moet de landbouwer geen voorafgaandelijke melding doen van de gevolgen van de wateroverlast op zijn percelen. Hij moet er echter wel voor zorgen dat hij beschikt over de nodige bewijsstukken als de teelt afwijkt van de aangegeven teelt of als hij als derogatiebedrijf nog grasland scheurt na 31 mei. Dit is bij voorkeur een verslag van de schattingscommissie, maar ook verslagen van gemeentelijke ambtenaren of duidelijke foto’s kunnen als bewijs dienen. Het spreekt voor zich dat een verslag van de schattingscommissie voor het minst discussie zal zorgen.  Dit bewijsstuk zal voorgelegd moeten worden bij een eventuele controle ter plaatse.

Als er bij de landbouwer een volledige controle ter plaatse gebeurt in het kader van de basisbetaling en/of vergroening, en er wordt daarbij een hoofdteelt vastgesteld die niet aangegeven was in de verzamelaanvraag, dan moet de landbouwer het bewijs kunnen voorleggen dat de geplande hoofdteelt niet kon worden ingezaaid of door de wateroverlast geheel of gedeeltelijk vernield werd. Dit bewijs wordt dan aanvaard in het kader van overmacht door weersomstandigheden.

Er gebeuren ook veldbezoeken naar aanleiding van controles met satellietbeelden van percelen (teledetectie). Bij dergelijke controles is er geen contact met de landbouwer. In dat geval zullen bewijzen van niet-inzaai of eventuele andere hoofdteelt door wateroverlast nadien moeten overgemaakt worden aan de diensten van het Departement Landbouw en Visserij. Dit zal dan moeten gebeuren nadat de landbouwer het controleverslag heeft ontvangen.

Door de situatie te erkennen als overmacht wordt de initieel aangegeven teelt aanvaard voor de bepaling van het recht op de steun en voor de rechten en plichten in het kader van het Mestdecreet.

Gevolgen voor de agromilieumaatregelen

  • De teelt van vlinderbloemigen werd ingezaaid, maar is mislukt

Als er wel vlinderbloemigen werden ingezaaid op de percelen, maar de teelt mislukt is door de natte weersomstandigheden, mag de bijkomende bestemming ‘VLI’ in de verzamelaanvraag blijven staan op de percelen. De landbouwer hoeft hiervoor niets te melden aan zijn buitendienst en zal betaling ontvangen voor deze percelen. Bij een eventuele controle ter plaatse moet wel aan de hand van bewijs (bij voorkeur een verslag van de schattingscommissie, eventueel ook verslagen van gemeentelijke ambtenaren of duidelijke foto’s) kunnen worden aangetoond dat de ingezaaide teelt mislukt is wegens wateroverlast. Facturen en zaaizaadcertificaten en dergelijke moeten uiteraard ook in orde zijn.

 

  • De teelt van de vlinderbloemigen kon niet worden ingezaaid

Als het door de natte weersomstandigheden van de voorbije weken niet mogelijk was om vlinderbloemigen in te zaaien waarvoor premie voor de inzaai van vlinderbloemigen aangevraagd is, mag de teeltcode behouden blijven in de aangifte. De bijkomende bestemming ‘VLI’ moet echter wel in de verzamelaanvraag verwijderd worden van de betreffende percelen. Dit moet zo snel mogelijk en zeker voor eventuele controle ter plaatse gebeuren. Doordat er geen vlinderbloemigen werden geteeld, zal ook geen premie voor vlinderbloemigen uitbetaald worden voor deze percelen. De agromilieuverbintenis wordt wel behouden en zal niet stopgezet worden als gemeld wordt dat de inzaai niet kon gebeuren wegens de weersomstandigheden.

Als de vlinderbloemigen niet konden worden ingezaaid voor de uiterste inzaaidatum van 31 mei, maar wel later, mag de teeltcode en bijkomende bestemming behouden blijven op de percelen. Latere inzaai wordt, gezien de uitzonderlijke omstandigheden, toegestaan tot 31 augustus.

De landbouwer moet in beide gevallen onverwijld en uiterlijk binnen de 14 dagen aan zijn buitendienst melden dat hij niet (tijdig) kon inzaaien wegens de natte weersomstandigheden. Deze melding moet gestaafd worden met een duidelijk bewijs, zoals een verslag van de schattingscommissie, verslagen van gemeentelijke ambtenaren of duidelijke foto’s. De bewijsstukken kunnen tot uiterlijk 31 augustus 2016 bezorgd worden.

Als geen melding gebeurd is en bij een eventuele controle ter plaatse (nog) geen ingezaaide vlinderbloemigen vastgesteld worden, zullen sancties voor niet-inzaai worden toegepast. Mogelijk wordt de verbintenis daarbij ook stopgezet en wordt de reeds uitbetaalde steun in het kader van de verbintenis teruggevorderd.

 

  • Mechanische onkruidbestrijding kan niet worden toegepast

Als er geen mechanische onkruidbestrijding kan worden toegepast op de percelen waarvoor premie voor mechanische onkruidbestrijding werd aangevraagd, moet de bijkomende bestemming ‘MOB’ in de verzamelaanvraag verwijderd worden van de betreffende percelen. Dit moet zo snel mogelijk en zeker voor eventuele controle ter plaatse gebeuren.

De landbouwer moet ook aan zijn buitendienst melden dat hij niet kon inzaaien wegens de natte weersomstandigheden. Deze melding moet vergezeld zijn van een duidelijk bewijs, zoals een verslag van de schattingscommissie, verslagen van gemeentelijke ambtenaren of duidelijke foto’s van het perceel. Dit kan tot uiterlijk 31 augustus 2016.

Doordat er geen mechanische onkruidbestrijding werd toegepast, kan ook geen premie voor mechanische onkruidbestrijding uitbetaald worden voor deze percelen. De agromilieu- en klimaatverbintenis wordt wel behouden en zal niet stopgezet worden.

Als de bijkomende bestemming niet verwijderd werd van deze percelen en er tijdens controle ter plaatse wordt vastgesteld dat er werd gespoten, zullen wel de gebruikelijke sancties worden toegepast met mogelijk ook stopzetting van de verbintenis en terugvordering van de reeds uitbetaalde steun in het kader van de verbintenis tot gevolg.

 

Schadevergoeding

Om in aanmerking te komen voor schadevergoeding in het kader van een mogelijke erkenning als algemene ramp, moet de landbouwer de specifieke procedure ter zake volgen. Zo moet men onder meer zijn gemeentebestuur per brief vragen de schattingscommissie samen te roepen om de problemen op het terrein vast te stellen.