Kruidenrijk grasland presteert sterk in natte én droge jaren
Voorlopige resultaten tonen dat soortenrijke graslanden minstens even goed presteren als conventionele graslanden op het vlak van opbrengst en voederkwaliteit.
9 juni 2026

Kunnen soortenrijke graslanden even productief zijn als klassieke graslanden? En leveren ze ook voldoende voedzaam ruwvoer voor melkvee? Dat zijn enkele van de vragen die centraal staan binnen het Europese Interreg-project DivGrass, waarin de Vlaamse Landmaatschappij (VLM) samenwerkt met onderzoeks- en praktijkpartners uit vijf landen.
Graskruidenmengsels worden vaak naar voren geschoven als een veelbelovende manier om landbouwproductie te combineren met meer biodiversiteit en een grotere weerbaarheid tegen extreme weersomstandigheden. Toch blijft voor veel melkveehouders de vraag of deze soortenrijke graslanden ook voldoende opbrengst en voederkwaliteit kunnen leveren. Daarom volgt de VLM op verschillende Vlaamse landbouwbedrijven soortenrijke en soortenarme graslanden op en vergelijkt ze hun samenstelling, opbrengst en voederwaarde.
Hieronder stellen we enkele voorlopige resultaten voor uit de staalnames van 2024 en 2025.
Welke graslanden onderzoeken we?
Een van de belangrijkste activiteiten binnen het DivGrass-project is onderzoeken in welke mate graskruidenmengsels bruikbaar zijn binnen de melkveehouderij. Hiervoor nemen we vegetatiestalen op vijf landbouwbedrijven, verspreid over Vlaanderen. Bij elke landbouwer volgen we vier percelen op.
Een van deze percelen is permanent grasland dat werd ingezaaid met een graskruidenmengsel en daardoor soortenrijker is. Deze percelen bevatten vaak verschillende grassoorten, zoals rietzwenkgras, beemdlangbloem, kropaar, timoteegras, rood zwenkgras en raaigrassen. Daarnaast komen er verschillende vlinderbloemigen voor, waaronder witte klaver, rode klaver, basterdklaver en luzerne. Ook diverse kruiden maken deel uit van het mengsel, zoals cichorei, smalle weegbree, duizendblad, kleine (moes)pimpernel en karwij.

Daarnaast volgen we een tweede perceel permanent grasland op dat voornamelijk bestaat uit (raai)gras, met weinig tot geen kruiden en dus een lagere soortenrijkdom heeft. Dezelfde vergelijking maken we ook op recent ingezaaide percelen, waardoor we zowel permanente als niet-permanente graslanden kunnen onderzoeken.
Op basis van vegetatie-inventarisaties en staalnames van de verschillende plantensoorten op het veld brengen we de opkomst en samenstelling van de percelen in kaart (zie Tabel 1).

Van vegetatiestaal tot voederwaardeanalyse
Binnen Vlaanderen staat de VLM, samen met Boerennatuur, in voor de vegetatiemonitoring en een deel van de staalnames. Voor elke staalname worden per perceel drie plots gemaaid. Daarnaast worden vegetatiestalen genomen in zes plots van 50 × 50 cm, verspreid over het perceel zodat een representatief beeld van de vegetatie wordt verkregen. Deze staalnames vinden vier tot vijf keer per jaar plaats en worden telkens uitgevoerd vlak vóór een maaibeurt. Tot nu toe heeft dit geresulteerd in 720 stalen per land.
De graslandstalen, zoals hierboven beschreven, worden verzameld in elk van de partnerlanden binnen het project: België, Nederland, Duitsland, Frankrijk en Zweden. Na de staalname worden de planten gesorteerd in grassen, klavers en kruiden. Vervolgens worden de stalen gedroogd en geanalyseerd op hun voederwaarde door de Universiteit van Göttingen, een van de Duitse projectpartners binnen DivGrass.
Hieronder worden enkele voorlopige resultaten voorgesteld. De weergegeven waarden zijn gebaseerd op de gecombineerde gegevens van 2024 en 2025.

DMY: Droge stofopbrengst, CP: ruw eiwit, WSC: wateroplosbare koolhydraten, ADF: zuur-detergentvezel in organische stof, NDF: neutraal-detergentvezel in organische stof, ME: metaboliseerbare energie, DOM: verteerbaarheid van organische stof.
Soortenrijke graslanden leveren meer biomassa
Deze figuur toont op de x-as het verschil tussen soortenarme en soortenrijke graslanden. Waarden links van de rode lijn wijzen op een hogere waarde in soortenarme graslanden, terwijl waarden rechts van de rode lijn wijzen op een hogere waarde in soortenrijke graslanden. Op de y-as zijn de verschillende onderzochte parameters weergegeven.
Zowel op permanente als niet-permanente graslanden lag de droge stofopbrengst, of biomassa, hoger in de soortenrijke percelen. Ook het ruwe eiwit- en vezelgehalte waren doorgaans iets hoger, al waren deze verschillen beperkter. Het suikergehalte lag daarentegen meestal hoger in de soortenarme percelen. Voor de verteerbaarheid werden nauwelijks verschillen vastgesteld tussen soortenrijke en soortenarme graslanden.
Ook de metaboliseerbare energie (ME), een maatstaf die kan worden omgerekend naar de VEM-waarde, was vergelijkbaar tussen alle onderzochte graslandtypes. Deze resultaten wijzen erop dat soortenrijke graslanden minstens even goed presteren als conventionele graslanden op het vlak van voederkwaliteit en opbrengst. De onderstaande figuren illustreren deze bevindingen meer in detail.
Voederkwaliteit blijft minstens gelijkwaardig

De bovenste boxplots zijn voor permanent grasland, de onderste zijn voor niet-permanent grasland. Telkens wordt er vergeleken tussen de soortenrijke (licht groene kleur) en soortenarme percelen (donker groene kleur).
De boxplots vertonen slechts beperkte verschillen tussen permanente en niet-permanente graslanden, en tussen soortenrijke en soortenarme percelen. De rode lijn geeft de voedingsbehoefte weer van een volwassen melkkoe (Holstein-Friesian) met een jaarlijkse melkproductie van 8.000 tot 10.000 liter. Zowel het eiwit- als het energiegehalte liggen rond de benodigde waarden voor deze productieniveaus.
Het is bovendien belangrijk om te vermelden dat deze resultaten gebaseerd zijn op gegevens uit zowel 2024 als 2025. Terwijl 2024 gekenmerkt werd door zeer natte omstandigheden en 2025 juist uitzonderlijk droog was, blijven de waargenomen trends in beide jaren opmerkelijk consistent.
Evolutie doorheen het groeiseizoen

Links is permanent grasland, rechts zijn vers aangelegde percelen en dus niet-permanent grasland.
Op permanente graslandpercelen ligt het eiwitgehalte het hoogst tijdens de eerste snede. Op vers aangelegde percelen is het eiwitgehalte bij de eerste snede vergelijkbaar met dat van de tweede snede op permanent grasland. Naarmate de zomer vordert en het najaar nadert, stijgt het eiwitgehalte opnieuw. Tegen die periode zijn de eiwitgehaltes op vers aangelegde en permanente graslanden min of meer gelijk.
Deze evolutie komt overeen met een toename van het aandeel kruiden en klavers vanaf de derde snede en in de daaropvolgende snedes.

De eenheid op de y-as is uitgedrukt in kg droge stof per hectare. Links is permanent grasland, rechts is niet-permanent grasland.
Van onderzoek naar beleidsaanbevelingen
De biomassa is voor beide types grasland het hoogst in het voorjaar en neemt vervolgens geleidelijk af richting het najaar.
Deze voorlopige resultaten tonen aan dat soortenrijke graslanden minstens vergelijkbare prestaties kunnen leveren als conventionele graslanden op het vlak van opbrengst en voederkwaliteit. De bevindingen uit het DivGrass-project zullen binnenkort worden besproken met onderzoekers, beleidsmakers en andere betrokken actoren uit gelijkaardige projecten. Samen zullen we de resultaten van de vegetatiemonitoring en voederwaardeanalyses, aangevuld met de inzichten uit de bevragingen, vertalen naar concrete beleidsaanbevelingen voor de verdere ontwikkeling van productief kruidenrijk grasland in Vlaanderen.

Meer weten?
- Rol van de Vlaamse Landmaatschappij in het DivGrass project >> Projectfiche VLM.
- Divgrass project >> Interregwebsite (Engelstalig).
- Volg de LinkedIn-pagina van DivGrass
