Landschap De Liereman: waar natuur en archeologie hand in hand gaan
28 mei 2026
Zorgvuldig natuurherstel in Landschap De Liereman
In Landschap De Liereman gaan natuurontwikkeling en archeologisch erfgoed letterlijk hand in hand. In dit uitgestrekte projectgebied van bijna 2.000 hectare, verspreid over Oud-Turnhout, Arendonk en Ravels, vinden de komende jaren vanuit natuurinrichting belangrijke werken plaats rond waterhuishouding, landschaps- en natuurherstel en verbetering van landbouwpercelen. Deze ingrepen zijn nodig om ambitieuze natuurdoelen in dit Habitatrichtlijngebied te halen. Alleen is er bijzondere aandacht nodig voor wat zich onder het maaiveld bevindt: een rijk archeologisch bodemarchief.
Een landschap met een lange geschiedenis
De Liereman is vandaag vooral bekend als bijzonder waardevol natuurgebied, met heide, vennen, veenmoerassen en soortenrijke graslanden. Minder zichtbaar, maar minstens even indrukwekkend, is de menselijke geschiedenis die hier in de bodem bewaard bleef.
Tussen ongeveer 12.000 en 7.000 jaar geleden sloegen jagers-verzamelaars hier herhaaldelijk tijdelijke kampen op, langs de droge duinen aan de rand van de natte depressie. Archeologen troffen er grote concentraties bewerkt vuursteen aan. Ook elders in De Liereman zijn steentijdvondsten gedaan, zelfs enkele objecten die teruggaan tot de Neanderthalers. Het gaat om subtiele, maar bijzonder waardevolle resten die vaak vlak onder de teelaarde liggen en daarom zeer kwetsbaar zijn.
Van bij de start van het project was het dus duidelijk: afstemming tussen natuur en erfgoed is heel belangrijk in dit waardevolle gebied.
Eerst goed kijken naar de bodem
Om verrassingen tijdens de werken te vermijden en archeologische waarden maximaal te vrijwaren, voerden archeologen onderzoek uit dat de bewaring van de bodem nagaat. Zo konden ze in de planningsfase weloverwogen keuzes maken:
- Waar is het mogelijk om zonder risico in te grijpen?
- Waar is voorzichtigheid geboden?
- Waar is het nodig om de bodem zoveel mogelijk met rust te laten?
Een aanpak die duidelijk vruchten afwierp. De archeologen kregen een duidelijker beeld van de gaafheid van de bodem en ontdekten bijvoorbeeld resten van oude vennen die vandaag niet meer zichtbaar zijn. In zones waar de bodem al sterk verstoord bleek, was vervolgonderzoek niet nodig.
Gericht onderzoeken
Op basis van de resultaten van iedere onderzoeksfase werden de plannen geëvalueerd.
Met gerichte boringen speurden de archeologen naar steentijdresten. Het opgeboorde materiaal werd gezeefd om op zoek te gaan naar minuscule fragmentjes bewerkt vuursteen. Waar duidelijk vuursteen aanwezig was, werden de plannen aangepast: niet graven of minder diep graven. Zo blijven de vondsten in de bodem behouden en is verder archeologisch onderzoek niet nodig. Dat is beter voor het erfgoed en bespaart middelen.
Bijsturen om te bewaren
Een concreet voorbeeld van het aanpassen van de werkwijze is het Rode Goor. Een zone met een hoge concentratie vuursteen toonde duidelijk op een archeologische vindplaats. In de oorspronkelijke plannen zou de VLM hier de bosbodem plaggen*. Om kwetsbare resten te vrijwaren van verstoring door de werken en erosie, werd in overleg met een heidespecialist en alle betrokken partners gekozen voor een alternatieve aanpak: het verwijderen van de bomen en de ondergroei. Zon, wind en lucht zorgen ervoor dat organisch materiaal sneller afbreekt. Hierop kan zich dan spontaan heide ontwikkelen. Daarna helpt enkele jaren stootbegrazing bij het beheer.
Ingrijpen waar nodig
Waar ingrepen onvermijdelijk zijn en archeologische resten verstoord zullen worden, gebeurt archeologisch onderzoek doelgericht en met minimale impact, via proefputten en proefsleuven. Door plannen stap voor stap bij te sturen op basis vondsten in de bodem, blijft onderzoek beperkt tot wat strikt noodzakelijk is.
Op enkele plaatsen is het toch nodig en onvermijdelijk om de werken uit te voeren zoals gewenst. Op vier locaties ten zuiden van de Lieremanweg voeren de onderzoekers daarom verder onderzoek uit. Ze verdelen het terrein in vakjes van 50 bij 50 centimeter, zeven het zand per vakje en kijken of er stukjes vuursteen aanwezig zijn. Zo ja, dan onderzoeken ze ook de omliggende vakjes. Beetje bij beetje, komt zo het verhaal van de steentijd naar boven.
Het steentijdonderzoek is slechts één deel van het hele archeologische verhaal. Bij graafwerken voor natuurinrichting vindt eerst een proefsleuvenonderzoek plaats. Met een rupskraan maken archeologen sleuven van ongeveer twee meter breed en vijftien meter uit elkaar. Zo onderzoeken ze zo’n 12% van het terrein - genoeg om te weten of er archeologische sporen in de grond aanwezig zijn. Zichtbare effecten blijven beperkt.
Wat hopen archeologen te vinden?
In het neolithicum, of de nieuwe steentijd, wordt er in onze regio voor het eerst aan landbouw gedaan. Vanaf dan bouwen de gemeenschappen houten huizen en bleven ze langer op één plek wonen. In de bodem zijn vandaag daarvan nog sporen terug te vinden: paalkuilen van woningen, kuilen waarin voedsel werd bewaard, greppels rond erven en soms zelfs waterputten én grafheuvels.
Uit oudere periodes verwachten archeologen vooral vuursteenconcentraties: sporen van gebruik of bewerking van vuursteen of restanten van haarden. Heel af en toe komt er een fragmentje verbrand dierenbot tevoorschijn of een verbrande hazelnoot. Net omdat die vondsten vaak pal onder de teelaarde liggen, zijn beperkte bodemingrepen hier de beste bescherming.
Meer informatie lees je op de projectpagina van de VLM-website.




