Mestbank verduidelijkt nieuwe bemestingsregels voor dit najaar

Donderdag 17 september 2015 — Met MAP 5 wil de Vlaamse overheid, samen met de land- en tuinbouwers, de waterkwaliteit verder verbeteren en de vooropgestelde doelstelling voor 2018 halen. Het is dan ook belangrijk dat de land- en tuinbouwers oordeelkundig en efficiënt omspringen met hun bemesting, zodat de nutriënten niet uitspoelen. De Mestbank zet in dit bericht de regels voor het uitrijden van mest en de mestopslag na 31 augustus op een rij.

In MAP 5 is de uitrijregeling geharmoniseerd, waardoor meststoffen die gelijkaardige eigenschappen hebben op het vlak van de stikstofvrijstelling dezelfde uitrijregeling krijgen. De meststoffen zijn opgedeeld in drie types:

  • meststoffen van type 1: stalmest, champost en traagwerkende meststoffen (gecertificeerd groen- en gft-compost en meststoffen met attest)
  • meststoffen van type 2: alle meststoffen die niet tot type 1 of 3 behoren
  • meststoffen van type 3: kunstmest, spuistroom en effluenten

Bemesten na 31 augustus
Landbouwers mogen in een aantal gevallen hun percelen nog bemesten na 31 augustus als het gaat om niet-derogatiepercelen. Op derogatiepercelen mag geen enkel type meststof opgebracht worden vanaf 1 september t.e.m. 14 februari.

Bemesten met meststoffen van het type 1 (dus ook alle traagwerkende meststoffen) kan in het najaar nog t.e.m. 14 november. De maximale dosis meststoffen van het type 1 is wel beperkt tot 50 kg werkzame N/ha bij toediening na 31 augustus.

Bemesten met meststoffen van het type 2 is alleen nog toegelaten op akkerland op de zware kleigronden en dat t.e.m. 15 oktober. Ook als de hoofdteelt al geoogst werd, is dat overigens toegelaten op de zware kleigronden, weliswaar op voorwaarde dat uiterlijk binnen de 14 dagen na de bemesting een nateelt wordt ingezaaid. De maximale dosis meststoffen van het type 2 is wel beperkt tot 100 kg werkzame N/ha bij toediening na 31 augustus.

Bemesten met meststoffen van het type 3 is toegelaten na 31 augustus als het gaat om meststoffen met een attest voor lage stikstofinhoud of in geval van bemesting van specifieke teelten en onder bepaalde voorwaarden.

 

Voorwaarden voor het gebruik van type 3 meststoffen met een attest voor lage stikstofinhoud

Meststoffen van het type 3 met een attest voor lage stikstofinhoud, mogen in de regel alleen nog toegediend worden na 31 augustus als er een gewas aanwezig is bij de opbrenging. Bij de opbrenging vanaf 1 september t.e.m. 15 oktober, mogen ze echter ook toegediend worden op onbeteelde grond als er binnen de 7 dagen na de opbrenging een gewas wordt ingezaaid. De dosis bij de toediening na 31 augustus is beperkt tot 30 kg N/ha, waarvan maximaal 10 kg minerale N/ha.

Dit najaar kunnen type 3 meststoffen met een attest voor lage stikstofinhoud nog opgebracht worden t.e.m. 31 december. Vanaf 1 januari 2016 t.e.m. 15 januari 2016 is het opbrengen van type 3 meststoffen met lage stikstofinhoud verboden.

Voorwaarden voor het gebruik van type 3 meststoffen op specifieke teelten

Op specifieke teelten mogen type 3 meststoffen nog opgebracht worden t.e.m. 15 november. Voor specifieke teelten, andere dan fruit, is de maximale dosis beperkt tot 100 kg werkzame N/ha over de periode vanaf 1 september t.e.m. 15 november. Er mag daarenboven nooit meer dan 60 kg werkzame N/ha toegediend worden over een periode van twee weken. Die bemesting is alleen toegestaan als ze onderbouwd wordt door een bodemstaalname met bijhorend bemestingsadvies. Voor de specifieke teelt ‘fruit’ is de maximale dosis beperkt tot 40 kg werkzame N/ha over de periode vanaf 1 september t.e.m. 15 november.

Specifieke teelten zijn: fruit, groenten van groep I, II of III, aardbeien, sierteelt en boomkweek, spruitkool en graszoden.

De groenten van groep I, II en III zijn:

GROEP I: bloemkool, groene selder, witte kool, boerenkool, spitskool, prei, broccoli, romanescokool, rodekool, savooikool, artisjok, Chinese kool, rabarber, bladselder of andere kolen met uitzondering van voederkool en spruitkool.

GROEP II: spinazie, courgettes, sla, knolselder, peterselie, bieslook, basilicum, augurken, pompoenen, knolvenkel, koolrabi, paksoi, die geteeld worden op niet permanent overkapte landbouwgronden en andere groenten die niet onder groep I of groep III vallen en geen teelt zijn met een lage stikstofbehoefte.

GROEP III: wortelen, rapen, koolraap, rode biet, pastinaak, rammenas met uitzondering van bladrammenas, radijs, mierikswortel, schorseneren, wortelpeterselie, asperges, erwten, bonen, dille, kervel, tijm, of andere kruiden met uitzondering van peterselie, bieslook en basilicum.

Opslag van meststoffen op landbouwgrond
Landbouwers mogen nog vaste dierlijke mest of andere meststoffen tijdelijk opslaan op landbouwgrond, op voorwaarde dat de mest op het perceel is opgeslagen om daar te worden gespreid. De afstand van de opslag tot de perceelsgrens en het oppervlaktewater moet ten minste 10 meter zijn. Bij regen voorkomt dit afvloei van mestsappen buiten het perceel. Vooral bij hellende percelen is dat een aandachtspunt, omdat de landbouwer in alle omstandigheden moet voorkomen dat mestsappen afvloeien buiten het perceel, ongeacht de afstandsregel. Om geurhinder te minimaliseren  moet de afstand tot woningen van derden ten minste 100 meter zijn.

Het is verboden om vaste dierlijke mest op te slaan op landbouwgrond vanaf 16 november t.e.m. 15 januari. Buiten die periode mag de landbouwer de vaste dierlijke mest maximaal twee maanden opslaan op landbouwgrond.

Wijzigingen in de uitrijregeling vanaf 1 januari 2016
Tot 1 januari 2016 geldt voor focusbedrijven dezelfde uitrijregeling als voor niet-focusbedrijven. Vanaf 1 januari 2016 gaat voor focusbedrijven een strengere uitrijregeling in waarbij de bemesting vanaf 16 februari t.e.m. eind februari alleen mogelijk is onder voorwaarden. Er geldt ook een strengere regeling voor bemesting na de oogst van de hoofdteelt.