Optimaal fosforgehalte verzoent goede gewasopbrengsten met beperkte fosforverliezen

Optimaal fosforgehalte verzoent goede gewasopbrengsten met beperkte fosforverliezen

In opdracht van de VLM, hebben onderzoekers van het ILVO, de Bodemkundige Dienst van België en de KU Leuven streefwaarden opgesteld voor de fosforgehaltes in de bodem. Positief daarbij is dat goede gewasopbrengsten en beperkte fosforverliezen naar het grond- en oppervlaktewater hand in hand gaan. In de nieuwe ‘Code van goede praktijken’ vinden de landbouwers praktische tips om hun fosforgehaltes, langzaam maar zeker, in de richting van de streefcijfers te laten evolueren. Geduld is daarbij op zijn plaats. ILVO-onderzoeker Fien Amery zegt dat het nog tientallen jaren zal duren om de huidige hoge fosforgehaltes in de bodems van de vele Vlaamse percelen binnen de vooropgestelde streefwaarden te krijgen.

Het merendeel van de Vlaamse percelen bevat een grote voorraad fosfor door grote bemestingsdosissen uit het verleden. Te veel fosfor in de bodem vormt een risico voor verliezen naar het oppervlakte- en grondwater. Dat kan leiden tot overmatige algenbloei en verstoring van het ecosysteem. Anderzijds is voldoende beschikbare fosfor nodig in de bodem, om de gewassen te voorzien van voeding. Hoeveel fosforgebruik is zowel economisch als milieukundig verantwoord? De VLM liet het uitgebreid uitzoeken.

Fosforgehalte en fosforvoorraad

Eerst en vooral moest een goede methode bepaald worden om het fosforgehalte in de bodem te meten. Niet alle fosfor in de bodem is immers goed beschikbaar voor het gewas of onderhevig aan verliezen richting milieu. Zes verschillende beschikbare meetmethodes werden onder de loep genomen en getest, in labo-, serre- en veldproeven. Na de eindevaluatie met verschillende criteria werd de huidige methode die gebruikt wordt in Vlaanderen, P-AL (extractie van fosfor uit de bodem met ammoniumlactaat, in azijnzuur bij pH 3,75), als beste methode geselecteerd.

ILVO-onderzoeker Fien Amery: “De fosforvoorraad in de bodem, zoals gemeten met P-AL, is zeer groot en verandert daardoor ook maar traag in de tijd. De fosfor die beschikbaar is voor het gewas komt ook voornamelijk uit de bodemvoorraad en veel minder uit de fosforbemesting die net toegepast werd.” Zie figuur 1.

Figuur 1. Schematische voorstelling van de verschillende fosforfracties in de bodem. Enkel de P uit de bodemoplossing is onmiddellijk opneembaar door de gewassen en wordt gevoed door de labiele P-voorraad en door slechts een fractie van de net toegepaste bemesting (uit: Bussink et al. (2011)).
Figuur 1. Schematische voorstelling van de verschillende fosforfracties in de bodem. Enkel de P uit de bodemoplossing is onmiddellijk opneembaar door de gewassen en wordt gevoed door de labiele P-voorraad en door slechts een fractie van de net toegepaste bemesting (uit: Bussink et al. (2011)).

Optimaal fosforgehalte

Er werden verschillende proeven opgezet om uit te maken wat het minimaal vereiste fosforgehalte voor het gewas is en wat het maximaal aanvaardbare fosforgehalte voor het milieu is. Op basis van nieuwe en oudere veldproeven in Vlaanderen werd afgeleid dat het fosforgehalte minstens 11 mg P/100 g moet bedragen om geen fosforgebrek of verminderde opbrengst van het gewas waar te nemen. Voor een fosforgevoelig gewas als maïs kan tot 15 mg P/100 g nodig zijn terwijl een gewas als tarwe toekomt met 6 mg P/100 g. Bij een ongunstige zuurtegraad van de bodem is een hoger fosforgehalte nodig om een optimale opbrengst te behalen. Daar zal bekalken in eerste instantie de meest efficiënte manier zijn om de opbrengst te verhogen en om het fosforgebrek aan te pakken.

De fosforbeschikbaarheid mag niet te laag zijn voor het gewas, maar mag ook niet te hoog omdat dan verliezen optreden naar het grond- en oppervlaktewater. Om geen overschrijding van de fosfornormen in het water door uitspoeling uit de landbouwbodem te verkrijgen, mag het fosforgehalte van de bodem maximaal 16 mg P/100 g bedragen.

Een bodem met een fosforgehalte tussen 11 en 16 mg P/100 g is dus zowel voor het gewas als voor het milieu goed. Binnen die streefzone volstaat het om onderhoudsbemesting toe te passen. Omdat de bodem fosfor gedeeltelijk fixeert, moet wel iets meer fosfor worden toegediend dan het gewas afvoert.

Te hoog fosforgehalte?

Er zijn heel wat ‘misvattingen’ rond tekorten aan fosfor in de bodem. Veldproeven tonen aan dat het weglaten van fosforbemesting tijdens meer dan 10 jaar op percelen met ruim voldoende fosforvoorraad geen opbrengstdaling veroorzaakt. Berekeningen toonden aan dat bijvoorbeeld voor tarwe, en startend vanaf 40 mg P/100 g in de bodem, er na 100 jaar zonder fosforbemesting nog geen opbrengstvermindering is. Ook startfosfor in het begin van het seizoen kan weggelaten worden, als het fosforgehalte boven de streefzone van 16 mg P/100 g zit. Soms staan de jonge maïsplantjes er zonder startfosfor wat paarser bij, maar in de eindopbrengst is daar niets meer van te merken.

De meeste percelen in Vlaanderen hebben een te hoog fosforgehalte, zie figuur 2. Om de fosforverliezen naar het milieu te beperken, moet het fosforgehalte naar omlaag. Dat kan door stelselmatig minder fosfor aan te brengen dan het gewas afvoert, maar ook dat proces gaat traag. Zelfs bij de grootste fosforafvoer (via gras of maïs) en geen enkele vorm van fosforbemesting duurt het meer dan 10 jaar om van 26 naar 16 mg P/100 g te evolueren. Bij gebruik van dierlijke of andere organische mest wordt automatisch ook bemest met fosfor, waardoor de daling van het fosforgehalte nog veel trager verloopt. Bij een jaarlijkse bemesting van 12 m³ rundermengmest duurt het al snel 20 tot 30 jaar om van 26 naar 16 mg P/100 g te evolueren. Met varkensmengmest, dat veel fosforrijker is, is het nog veel moeilijker om het fosforgehalte in de bodem te doen dalen. Daarom is het interessant om te kiezen voor mesttypes met relatief weinig fosfor en veel stikstof, zoals gier en rundermest. Is het koolstofgehalte van de bodem te laag? Dan bevat het mesttype naast weinig fosfor het best veel effectieve organische koolstof. Stalmest en vooral compost zijn dan de beste keuzes.

Te laag fosforgehalte?

Een te laag fosforgehalte komt maar bij een beperkt percentage van de Vlaamse bodems voor, zie figuur 2.

Figuur 2. Percentage stalen per gemeente met een P-AL-gehalte > 160 mg/kg op basis van de standaardgrondanalyse, voor de periode 2010-2012 (Bodemkundige Dienst van België)
Figuur 2. Percentage stalen per gemeente met een P-AL-gehalte > 160 mg/kg op basis van de standaardgrondanalyse, voor de periode 2010-2012 (Bodemkundige Dienst van België)

Fosforgehaltes in de bodem onder 11 mg P/100 g worden het best opgekrikt door flink meer te bemesten dan de fosforafvoer via het gewas. Geduld is een mooie deugd, want het kan tientallen jaren duren voordat de bodemvoorraad is aangevuld. Daarom is het tijdens de opbouw van de fosforvoorraad belangrijk om bijkomende maatregelen te nemen zoals bemesten dichtbij de wortels (bijvoorbeeld rijenbemesting), kiezen voor minder fosforgevoelige teelten zoals tarwe en bieten en zorgen voor een goede bodemstructuur, bodemvochtigheid en vooral een gunstige zuurtegraad.

Als je weet dat ook via erosie fosfor vanuit een perceel naar het oppervlaktewater kan bewegen, is het voorkomen van erosie een goede zet om fosforverliezen tegen te gaan. Landbouwers moeten daarvoor de bodemweerstand en het organisch koolstofgehalte verhogen, zorgen voor een goede bodem-pH, de bodemverdichting beperken en gebruikmaken van een doordachte teeltkeuze.

Meer informatie?

Bekijk hier alle resultaten van de studie milieukundig en economisch verantwoord fosforgebruik

 

 

Leen Van den Bergh woordvoerder

 

 

 

 

 

Over Vlaamse Landmaatschappij

De NV Vlaamse Landmaatschappij is een Extern Verzelfstandigd Agentschap van de Vlaamse overheid onder de bevoegdheid van de Vlaams minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme.  

Voor de VLM zijn een veerkrachtige open ruimte en een dynamisch platteland vol leven het antwoord op uitdagingen als verstedelijking en klimaatverandering. We versterken de open ruimte en het platteland door mee te werken aan het beleid en door te investeren in bodem- en waterkwaliteit, biodiversiteit en infrastructuur. We zorgen voor een mooi landschap en een gezonde omgeving, waar het goed is om te leven en te werken en waar er ruimte is voor ontspanning. 

De VLM werd opgericht in 1988 en stelt ongeveer 600 personeelsleden te werk via 6 kantoren te Brugge, Gent, Brussel, Leuven, Herentals en Hasselt.

De foto's in onze perskamer zijn eigendom van de Vlaamse Landmaatschappij. Het gebruik van die foto's is toegestaan mits bronvermelding (copyright Vlaamse Landmaatschappij).

Vlaamse Landmaatschappij
Leen Van den Bergh
Woordvoerder VLM
Koning Albert II laan 15
1210 BRUSSEL